Er was eens een school voor dieren. Het programma legde sterk de nadruk op de “vier basisvaardigheden”; het lespakket bestond dus uit rennen, vliegen, klimmen en zwemmen. De dierenwereld stond op gelijke behandeling van alle kleine dieren, dus volgde iedereen dezelfde vakken. Ze moesten alle basisvaardigheden goed beheersen!
De eend blonk uit in zwemmen – sterker nog, hij was er beter in dan zijn leraar, ondanks het adagium dat alleen zij die zelf uitblinken, les zouden moeten geven. Maar voor vliegen haalde hij slechts een voldoende, en in rennen presteerde hij erg slecht. Omdat zijn prestaties bij dat vak zo laag waren – ver onder de norm voor zijn leerjaar – moest hij na schooltijd nablijven om te oefenen met rennen. Om die extra oefeningen te kunnen doen, moest de eend stoppen met de zwemles.
Er werd doorgegaan met de hardloopoefeningen totdat zijn zwemvliezen ernstig versleten waren en hij nog maar gemiddeld presteerde bij het zwemmen. Maar aangezien “gemiddeld” acceptabel en respectabel is, maakte niemand zich er druk om, behalve de eend zelf. Zwemmen was immers zijn grote passie geweest!
Het konijn begon als beste van de klas met rennen, maar kreeg een zenuwinzinking en moest met school stoppen vanwege de enorme hoeveelheid inhaalwerk voor zwemmen. Er was geen watervast werkboek, en ze zwom zo langzaam dat het boek haar steeds naar beneden trok. Ze ontwikkelde er een “werkboekfobie” door.
De eekhoorn was de beste van de klas in klimmen, totdat ze een angststoornis ontwikkelde rondom het vliegen. Haar vlieginstructeur liet haar elke vliegles vanaf de grond beginnen en omhoog vliegen, terwijl haar natuurlijke neiging was om vanuit de boomtop naar beneden te vliegen. Al snel raakte ze ernstig gefrustreerd; ze kreeg kramp door overbelasting bij de start en begon cijfers als een C voor klimmen en een D voor rennen te halen.
Klimles #
De arend werd beschouwd als een probleemleerling en streng gestraft. Tijdens de klimles bereikte hij als eerste van alle leerlingen de top van de boom, maar hij stond erop dat op zijn eigen manier te doen; hij weigerde simpelweg zich te houden aan de procedure die in het lesprogramma was vastgelegd, in het leerboek werd uitgelegd en in het werkboek werd ingeoefend! De Arend gebruikte koppig zijn vleugels in plaats van zijn poten.
Aan het einde van de cursus behaalde een buitenbeentje – een paling die uitstekend kon zwemmen, maar ook kon rennen, klimmen en een beetje vliegen – het hoogste gemiddelde, zonder ook maar één onvoldoende. Dankzij deze prestaties werd de Paling automatisch uitgeroepen tot beste van de lichting. De commissie van onderscheidingen besloot dat de Paling moest afstuderen ‘met lof’, vanwege zijn veelzijdige vaardigheden.
De prairiehonden hielden hun kinderen van school en verzetten zich tegen de schoolbelasting, omdat de schoolleiding weigerde graven en het bouwen van holen in het curriculum op te nemen. Ze lieten hun kinderen in de leer gaan bij een das en richtten later, samen met de bosmarmotten en goffers, een succesvolle privéschool op met hoog collegegeld en een elitair imago.

Afbeelding gemaakt met hulp van AI
Dit verhaal komt uit: – Harding L.W. (Ed.) 1956 Essays in educology. Dubuque, IO: Wm C. Brown.
